3
okt
2017

Samenlevers en investeren in een goed van de ander: let op de verjaring!

Door Eelco Anink

Het aantal ongehuwd samenwonenden neemt steeds verder toe. Voor hen geldt het algemene vermogensrecht. De beschermingsbepalingen voor gehuwden gelden niet voor hen. Dat kan tot zeer onbillijke consequenties leiden, bijvoorbeeld indien de ene partner investeert in de woning van de ander. Indien partijen hun samenleving beëindigen, kan het dan voorkomen dat een vergoedingsvordering voor de investering in het goed van de ander is verjaard. Daarop ga ik hierna in.

Verjaring bij gehuwden

Een vergoedingsvordering tussen echtgenoten verjaart niet gedurende het huwelijk. Een vordering die tijdens het huwelijk zou zijn verjaard, verjaart eerst nadat 6 maanden na de ontbinding van het huwelijk zijn verstreken. Echtgenoten hoeven zich tijdens het huwelijk dus niet te bekommeren over lopende verjaringstermijnen, zodat (gerechtelijke) maatregelen niet nodig zijn om rechten te behouden.

Verjaring bij samenlevers

Voor samenlevers gelden de algemene verjaringsbepalingen. Op grond van het algemene vermogensrecht verjaart een rechtsvordering na verloop van 5 jaar. De verjaringstermijn gaat lopen op het moment dat de vordering opeisbaar is. Indien over de opeisbaarheid niets is afgesproken, dan is de vordering ter stond opeisbaar. Dat staat namelijk uitdrukkelijk in de wet. Vaak staat dat ook expliciet in het samenlevingscontract. Dat betekent dat de verjaringstermijn gaat lopen vanaf het moment van de investering in het goed van de ander, zodat de rechtsvordering 5 jaar nadien verjaart. Het is dus zaak de rechtsvordering tijdig in te stellen of de verjaring tijdig te stuiten. Voor dat laatste is een schriftelijke aanmaning of een schriftelijke mededeling nodig waarin de investerende partner zich het recht op nakoming ondubbelzinnig voorbehoudt. Deze moet zich dan uiteraard wel bewust zijn van de lopende verjaringstermijn. Dat (juridische) bewustzijn zal er dikwijls niet zijn met als gevolg dat er in rechte niets meer valt af te dwingen indien meer dan 5 jaar zijn verstreken. De investerende partner kan dan dus geen betaling meer afdwingen. De rechter hanteert verjaringstermijnen namelijk streng.

Er zijn daarop tot op heden slechts twee uitzonderingen. Het gaat om uitspraken allebei gewezen door de Rechtbank Gelderland. Daarin werd geoordeeld dat de verlengde verjaringstermijn voor gehuwden op grond van de redelijkheid en billijkheid ook geldt voor samenlevers, waarbij een vordering die tijdens de samenleving zou zijn verjaard, eerst verjaart nadat 6 maanden na het einde van de samenleving zijn verstreken. Het is echter de vraag of de (juridische) redenering die daaraan ten grondslag ligt het ook in hoger beroep en in cassatie houdt.

Tip

Een zorgvuldige redactie van het samenlevingscontract kan voorkomen dat de investerende partner vanwege de verlopen verjaringstermijn het nakijken heeft, bijvoorbeeld door op te nemen dat (bepaalde) vergoedingsrechten eerst opeisbaar zijn bij het opzeggen van de samenlevingsovereenkomst.

De hiervoor geschetste problematiek kan zich overigens ook voordoen als de ene partner investeert in een woning die op naam staat van beide partners. Ook dan zal het veelal de bedoeling zijn dat er een vergoedingsrecht bestaat wanneer de samenleving wordt beëindigd. Ook in dat geval speelt de verjaring een rol en is een zorgvuldige redactie van het samenlevingscontract van groot belang.

Wij kijken graag met u mee naar het concept van uw samenlevingsovereenkomst, want hier geldt eens temeer: penny wise, pound foolish…

Nb. de auteur van dit blog schreef over dit onderwerp een uitgebreid artikel in het Tijdschrift Relatierecht en Praktijk (REP 2016/5) onder de titel ‘Samenlevers: vergoedingsrechten en verjaring’.

Volg De Boorder Schoots op Twitter

Volg @dBoorderSchoots op twitter.

 © 2018 De Boorder Schoots Algemene voorwaarden
Webdesign: JHmedia