10
okt
2017

Spanningsveld tussen waarheidsvinding en vertrouwelijkheid bij mediation

Door Anne-Sophie van Hoof

In mediation geldt vertrouwelijkheid als een van de kernbeginselen. Mediators en partijen, die betrokken zijn bij mediation, hebben echter geen wettelijke geheimhoudingsplicht. Daarom wordt een geheimhoudingsclausule veelal standaard opgenomen in een mediationovereenkomst, die partijen en de mediator sluiten bij de start van de mediation. Voorbeelden van geheimhoudingsbepalingen zijn o.m. te vinden in de modellen van de Vereniging Familierecht Advocaten Scheidingsbemiddelaars (vFAS) en het Nederlands Mediation Institutuut (NMI). De geheimhoudingsbepalingen in mediationovereenkomsten kunnen onderling verschillen.

De gedachte achter de geheimhoudingsclausule is dat partijen meer vrijuit zullen praten als zij ervan verzekerd kunnen zijn dat de informatie die zij inbrengen niet tegen hen zal worden gebruikt in een eventuele procedure die volgt – of wordt voortgezet – als de mediation mislukt. Hierdoor zou de kans dat de mediation slaagt wezenlijk  groter zijn. De vraag rijst of partijen bij een mediationovereenkomst elkaar wel mogen c.q. kunnen verplichten om relevante informatie aan de rechter te onthouden. Is dit niet in strijd met de waarheidsvinding, zijnde een fundamenteel uitgangspunt van de wetgeving en de rechtspraak?

In de jurisprudentie is deze vraag meermaals aan de orde gekomen. Zo heeft de Hoge Raad in 2009 geoordeeld dat in het licht van het maatschappelijk verkeer dat is gemoeid bij de waarheidsvinding door de civiele rechter niet te snel mag worden aangenomen dat partijen een bewijsovereenkomst hebben gesloten waarbij zij een bewijsmiddel hebben uitgesloten. De vraag of in dat geval een mediator, met een beroep op de contractuele geheimhoudingsplicht, mocht weigeren een getuigenverklaring af te leggen, werd door de Hoge Raad negatief beantwoord (HR 10 april 2009, NJ 2010/471). Sindsdien is het beroep op een geheimhoudingsbepaling in een mediationovereenkomst de ene keer wel en de andere keer niet door de lagere rechter gehonoreerd.

Een recente, opvallende uitspraak is van het Hof Den Haag van 17 mei 2017, waar werd geoordeeld dat een vertrouwelijk mediationverslag overgelegd mocht worden in het belang van de waarheidsvinding (Hof Den Haag 17 mei 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:1718). Wat waren hier de feiten en omstandigheden? Het huwelijk van partijen was in 2014 ontbonden. Partijen hadden door middel van mediation de gevolgen van hun echtscheiding vastgelegd in een convenant en een ouderschapsplan. In 2016 had de rechtbank in eerste aanleg de kinderalimentatie vastgesteld op €75 per kind per maand. De vrouw ging hiertegen in hoger beroep en stelde dat bij de bepaling van de behoefte van de kinderen ten onrechte was uitgegaan van de inkomsten van partijen in 2012, nu partijen in dat jaar feitelijk uiteen waren gegaan. De vrouw verwees in dit verband naar het mediationverslag. Volgens de vrouw bleek uit dit verslag namelijk dat partijen bewust waren afgeweken van de wettelijke normen ter zake, op grond waarvan geaccepteerd moest worden dat niet het inkomen van het jaar 2012 moest worden aangehouden, maar het inkomen over de jaren 2009 tot en met 2011. De man voerde verweer. Hij stelde dat het hof aan de grieven van de vrouw voorbij moest gaan omdat ze waren gebaseerd op het mediationverslag dat de vrouw in strijd met de goede procesorde had overgelegd, waarmee zij de geheimhoudingsplicht had geschonden. Het hof overwoog uiteindelijk dat de vrouw in het belang van de waarheidsvinding genoodzaakt was tot het overleggen van het desbetreffende mediationverslag. Er stond de vrouw immers, gelet op de betwisting door de man, geen andere manier ter beschikking om inzichtelijk te maken dat partijen bewust waren afgeweken van de wettelijke maatstaven door bij het bepalen van de behoefte van de minderjarigen niet uit te gaan van het gezinsinkomen in 2012, maar een gemiddelde te nemen van de jaren 2009 t/m 2011:

“Het belang van de vrouw is dusdanig zwaarwegend, dat nakoming van de geheimhoudingsverplichting, die normaal gesproken geldt, niet kan worden gevergd. Daarbij komt dat in deze wel een convenant tot stand is gekomen na de mediation en het hier een opvolgende procedure betreft”.

Het hof nam derhalve kennis van de inhoud van het mediationverslag. Dat de Deken de klacht van de advocaat van de man tegen de vrouw inzake het schenden van de geheimhoudingsplicht gegrond had verklaard, maakte dit volgens het hof niet anders.

Kortom, een rechter zal per geval moeten beoordelen of de vertrouwelijkheid van de mediationprocedure zwaarder moet wegen dan de waarheidsvinding. Gelet op de recente jurisprudentie kan de vertrouwelijkheid van de mediationprocedure niet onder alle omstandigheden gewaarborgd worden.

Heeft u vragen over mediation of anderszins? Neem contact op met een van onze advocaten. De advocaten van De Boorder Schoots kunnen u adviseren en bijstaan, indien nodig ook in een procedure.

Volg De Boorder Schoots op Twitter

Volg @dBoorderSchoots op twitter.

 © 2018 De Boorder Schoots Algemene voorwaarden
Webdesign: JHmedia